Gedurende de vastgestelde overgangstermijn behouden bestaande vergunninghouders het recht om hun standplaats in te nemen onder dezelfde voorwaarden en voorschriften als opgenomen in de oorspronkelijk verleende vergunning. De omzetting van een vergunning voor onbepaalde tijd naar een vergunning voor bepaalde tijd brengt, behoudens de beperking van de looptijd, geen wijziging met zich mee in de locatie, de toegestane dagen en tijden, de omvang van de standplaats, het gebruik van het verkoopmiddel of overige vergunningsvoorschriften. De rechtspositie van de vergunninghouder blijft daarmee inhoudelijk ongewijzigd, met dien verstande dat na afloop van de overgangstermijn geen aanspraak bestaat op automatische verlenging en de standplaats opnieuw overeenkomstig het geldende beleid kan worden opengesteld voor mededinging.

Gedurende de overgangstermijn kunnen aan de bestaande vergunning geen aanvullende rechten worden ontleend op basis van deze beleidsregel. Indien de nieuwe beleidsregel op onderdelen meer mogelijkheden biedt, zoals een ruimere vergunningsduur of langere exploitatieperioden voor seizoensstandplaatsen, bestaat gedurende de overgangstermijn geen aanspraak op verruiming of uitbreiding van de bestaande vergunning. Deze mogelijkheden kunnen pas aan de orde komen bij een nieuwe vergunningverlening overeenkomstig het dan geldende beleid

Wijzigingen van ondergeschikte aard, die niet leiden tot aantasting van de rechtspositie van de vergunninghouder, kunnen door het college worden doorgevoerd.