Wanneer aannemelijk is dat er sprake is van witwassen of ondergronds bankieren (waarbij de aanwezigheid van grote contante geldbedragen het risico op ripdeals, overvallen en andere factoren die de openbare orde kunnen verstoren vergroot), kan dit ook vallen onder artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e. Andere voorbeelden die onder artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder e vallen, zijn het bieden van gelegenheid tot prostitutie- en escortactiviteiten in of vanuit de inrichting.