De aanvragen worden getoetst aan de hand van de vier in artikel 9 genoemde criteria. Hieronder staat een korte toelichting op die criteria en de aspecten waar bij de beoordeling onder ander naar wordt gekeken.
Bijdrage aan versterking van de sociale basis (criterium a)
Bij dit criterium gaat het erom of de aangevraagde activiteiten betrekking hebben op een of meerdere van de in artikel 3 genoemde thema’s (ontmoeten en betrokkenheid, samenredzaamheid, zelfstandigheid en ontplooiing). Er wordt gekeken of de activiteiten met een of meer van die thema’s verband houden en zo ja, of de activiteiten daar ook een (positieve) bijdrage aan leveren. Daarbij is onder meer de kwaliteit van de activiteiten van belang. De aanvrager moet beschrijven op welk(e) van deze thema’s de activiteiten betrekking hebben. Daarbij zij opgemerkt dat activiteiten die betrekking hebben op meerdere thema’s niet per definitie beter zijn, of meer punten krijgen, dan activiteiten die betrekking hebben op één thema. Dat is in dat geval primair afhankelijk van de mate waarin de activiteiten aan een thema bijdrage en de kwaliteit van de activiteiten.
Behoefte en maatschappelijke meerwaarde (criterium b)
Bij dit criterium wordt onder meer bezien of de aangevraagde activiteiten ook daadwerkelijk voorzien in een behoefte. De aanvrager moet dat motiveren en toelichten waarom zij denkt of vindt dat de activiteiten aansluiten bij een bestaande behoefte. Beoordeeld wordt of die behoefte in kaart is gebracht en zo ja, hoe groot de behoefte is. Een activiteit die voorziet in de behoefte van een groter aantal personen, heeft doorgaans een breder bereik en daarmee vaak ook een grotere maatschappelijke meerwaarde. Dat hoeft overigens niet altijd zo te zijn. Een activiteit die voorziet in een specifieke behoefte van een beperkt aantal personen, kan niettemin een grote(re) maatschappelijke meerwaarde hebben als de activiteiten voor die personen een aanzienlijke positieve impact hebben. Van de aanvrager wordt verwacht dat zij, naast de behoefte, ook inzicht geeft in de verwachte maatschappelijke meerwaarde.
Uitvoerbaarheid en continuïteit (criterium c)
Van belang is dat de activiteiten ook daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Daarbij wordt zowel gekeken naar de feitelijke uitvoerbaarheid, als de financiële uitvoerbaarheid. Bij de feitelijke uitvoerbaarheid wordt onder meer bezien of er, mede gelet op de aard en omvang van de activiteiten, voldoende organisatorische capaciteiten en kwaliteiten zijn om de activiteiten uit te voeren. Ook wordt bezien of er (andere) omstandigheden zijn die aan uitvoering in de weg staan. Bij de financiële uitvoerbaarheid wordt gekeken naar of er voldoende financiële middelen zijn om de activiteiten uit te voeren.
Daarnaast wordt bezien of en in welke mate de activiteiten duurzaam bijdragen aan het versterken van de sociale basis. Daarvoor geldt in algemene zin dat activiteiten die structureel of langdurig een positieve impact (kunnen) hebben, beter scoren. Van de aanvrager wordt verwacht dat zij beschrijft welke impact van de activiteiten wordt verwacht.
Samenwerking en netwerkvorming (criterium d)
Van belang is dat activiteiten zoveel mogelijk zijn gericht op samenwerking met inwoners en (maatschappelijke) organisaties. Activiteiten waarbij wordt samengewerkt zorgen over het algemeen voor een breder draagvlak en een sterkere en hechtere gemeenschap. Bij dit criterium wordt daarom bezien of en in welke mate samenwerking plaatsvindt, met wie, en wat de meerwaarde van die samenwerking is of kan zijn. Ook wordt bezien of een langdurige(re) samenwerking wordt beoogd, met het oog op (verdere) netwerkvorming.