Intrekken of wijzigen van vergunning of ontheffing
Het eerste lid, sub d, beoogt te voorkomen dat vergunningen ongebruikt worden gelaten. Men mag ervan uitgaan dat de vergunninghouder binnen een jaar na het verlenen van de vergunning van start kan gaan met de peuterspeelzaal. Een latere start betekent dat opnieuw vergunning moet worden aangevraagd.
Het tweede lid omschrijft een bijzondere sluitingsbevoegdheid. Daarnaast zijn burgemeester en wethouders bevoegd bestuursdwang uit te oefenen krachtens artikel 125 van de Gemeentewet. Voordat zij daartoe overgaan, dient de vergunninghouder schriftelijk te worden gewaarschuwd. Een voorbeeld van een dringende omstandigheid die niet uit de verordening voortvloeit, maar toch het belang van de kinderen kan schaden, is een disfunctionerend management van een peuterspeelzaal.
Als bij controle zoals bedoeld in hoofdstuk 3, wordt geconstateerd dat de vergunninghouder van een peuterspeelzaal niet meer aan de eisen voldoet, dan zal niet in alle gevallen directe intrekking van de vergunning voor de hand liggen. Vaak zal de gemeente kunnen volstaan met afspraken over de te nemen maatregelen en de termijn waarbinnen deze getroffen moeten zijn.
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Artikel 9
Artikel 9
Onderdeel van Verordening kwaliteit peuterspeelzalen 2005