• - Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan indien:
  • - a. het beoogde gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; of
  • - b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
  • - Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,20 m wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
  • - Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen en reclameborden.
  • - Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
  • - In afwijking van het vierde lid kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
  • - Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:
  • - a. evenementen, als bedoeld in artikel 2.24;
  • - b. standplaatsen, als bedoeld in artikel 5.17;
  • - c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik vand e weg is verleend.
  • - Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de provinciale wegenverordening.
  • - Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.