**1..** De gemeente voert altijd een eigen Bibob-onderzoek uit bij verleende beschikkingen (waarbij in het geval van subsidies het bepaalde onder artikel 2.4 geldt) indien:
- - sprake is van een melding als bedoeld in artikel 5:37, lid 2 van de Omgevingswet (wijziging tenaamstelling) waarbij geldt dat de gemeente de Wet Bibob toepast overeenkomstig de bepalingen in artikel 2.2 van deze beleidsregel en/of;
- - een wijziging in de bedrijfsstructuur (wijziging Bibob-relaties) heeft plaatsgevonden (voor Omgevingswetvergunningen geldt deze bepaling alleen zolang het pand nog niet is gerealiseerd dan wel nog niet in gebruik is genomen) en/of;
- - uit eigen ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC hier aanleiding toe is en/of;
- - er een tip van het LBB als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob is ontvangen en/of;
- - er een tip van de officier van justitie (OM-tip) is ontvangen, of van een ander bestuursorgaan, of van een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob en/of;
- - sprake is van situaties zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet en/of;
- - sprake is van overige signalen die daar aanleiding toe geven.
**2..** De gemeente kan een eigen Bibob-onderzoek starten bij een verleende vergunning indien de gemeente de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning heeft toegevoegd aan de risicoactiviteiten (bijlage 1) of een door het bestuursorgaan aangewezen risicogebied. Bij omgevingsvergunningen kan dit alleen als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 5.40 van de Omgevingswet (bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning).