1. De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:

a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 11 niet naleeft;

c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;

d. niet binnen 2 jaar van de vergunning gebruik wordt gemaakt.

2. Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de monumentencommissie.