• 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan acht weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.• 2. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2.26, lid 3 onder a wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.• 3. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2.26, lid 3 onder b wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.• 4. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in artikel 2.26, lid 3 onder c wordt ingediend minder dan zestien weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd gezag besluiten de aanvraag niet te behandelen.• 5. Voor bepaalde, door het bevoegd gezag aan te wijzen vergunningen of ontheffingen, kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.