In deze paragraaf wordt verstaan onder:• 1. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;• 2. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.