Naar hoofdinhoud

Titeldeel 3

Artikel 13

Instemmingsbevoegdheid ouders-/leerlingengeleding

Onderdeel van Reglement Gemeenschappelijke Meddezeggenschap Openbaar Onderwijs

Het bevoegd gezag behoeft de voorafgaande instemming van dat deel van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders en/of de leerlingen is gekozen, voor de door hem voorgenomen besluiten met betrekking tot: a regeling van de gevolgen voor de ouders of leerlingen van een besluit met betrekking tot een aangelegenheid als hiervoor bedoeld in artikel 11 onderdelen a, d, e, f, g en o; b de vaststelling of wijziging van de hoogte en de vaststelling of wijziging van de bestemming van de middelen die van de’ ouders of de leerlingen wordt gevraagd zonder dat daartoe een wettelijke verplichting bestaat onderscheidenlijk zijn ontvangen op grond van een overeenkomst die door de ouders is aangegaan; c vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van leerlingen; d vaststelling van het leerlingenstatuut bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een mogelijk ouders- of leerlingenstatuut anders dan bedoeld in artikel 24g van de Wet op het voortgezet onderwijs. e de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen anders dan onder b bedoeld en niet gebaseerd op de onderwijswetgeving indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden respectievelijk het onderwijs en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, worden geconfronteerd; medezeggenschapsraad die het aangaat, worden verlengd. 5 Met inachtneming van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen stelt de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel de geleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad die het aangaat, het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis van de hem gevraagde en ongevraagde adviezen over het al dan niet verlenen van instemming met de voorgenomen besluiten met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in artikel 11 respectievelijk de artikelen 10, 12 en 13 van dit reglement. 6 Indien de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad dan wel dat deel van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad gekozen door de geleding die het aangaat, niet binnen de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn advies uitbrengt dan wel geen uitsluitsel geeft over het al dan niet verlenen van instemming, wordt de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad geacht het eens te zijn met, respectievelijk in te stemmen met het aan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voorgelegde voorgenomen besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel