1. Bij de aanvraag tot een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.2 wordt tenminste overgelegd:
a. gegevens van het bedrijf van de aanvrager en functie van aanvrager;
b. een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van het desbetreffende bedrijf;
c. de relevante bij of krachtens de Wet milieubeheer afgegeven vergunningen en ontheffingen en
d. de gegevens van de ontvangstvoorzieningen waarover de aanvrager beschikt, waaronder tenminste de capaciteit en de geschiktheid ervan.
2. Voorts wordt bij de aanvraag ten genoegen van het college voldoende aangetoond:
a. op welke soorten schadelijke stoffen de aanvraag betrekking heeft;
b. de bestemming van de ontvangen schadelijke stoffen en
c. de activiteiten die het bedrijf uitvoert of wenst uit te voeren op het gebied van het in ontvangst nemen van de stoffen, bedoeld in artikel 7.2.