Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden
verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik
ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast
ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair
gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is
gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk
niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de
mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige
constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van
iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt
is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan
gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren,
mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een
begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk
gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom
van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun
invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van
de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak
is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan
begrijpelijkheid en integriteit.