Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:
1. De gemeente streeft naar concentratie van liquiditeiten binnen één rentecompensatiecircuit bij de bank met de gunstigste condities;
2. Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld- leningen, kasgeldleningen en rekening courantkredieten;
3. Toegestane instrumenten bij het extern uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar moeten voldoen aan de eisen van artikel 5;
4. Bij het extern uitzetten van gelden korter dan één jaar zijn slechts de in artikel 6 genoemde tegenpartijen toegestaan;
5. De gemeente vraagt offertes op bij minimaal 2 instellingen alvorens middelen worden aangetrokken of uitgezet met een looptijd langer dan een maand maar korter dan één jaar en/of bedragen van meer dan € 2.500.000;
6. De gemeente kan volstaan met één offerte bij een financiële instelling, indien gelden worden aangetrokken of uitgezet voor een periode tot en met een maand en tot een bedrag van € 2.500.000. Hierbij dient wel de marktconformiteit getoetst te worden;
7. Vorderingen op debiteuren dienen conform het invorderingsbeleid zo effectief en efficiënt mogelijk te worden omgezet in ontvangen liquiditeiten.