1. Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject waarbij zonodig voorzieningen kunnen worden ingezet, of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties.
2. Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor die voorziening die adequaat en toereikend is voor het doel dat beoogd wordt.
3. Onder een voorziening wordt tevens verstaan: a. vergoeding van noodzakelijk gemaakte reiskosten voor deelname aan een
voorziening, op basis van de daadwerkelijke gemaakte kosten;
b. kosten van noodzakelijke kinderopvang gedurende deelname aan een voorziening
en de hiermee samenhangende reistijd;
c. de kosten genoemd onder a. worden niet vergoed indien de voorziening bestaat uit
een baan op grond van artikel 11 van deze verordening. 1. Voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.
2. Burgemeester en wethouders kunnen een voorziening beëindigen: a. indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in
artikel 9 van de wet niet nakomt;
b. indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;
c. indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik
wordt gemaakt van een voorziening;
d. indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.