Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 21, onder b., c. en d. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen het gebruik van algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoor-ziening als bedoeld in artikel 21, onder a., onmogelijk maken, dan wel,
b. het gebruik van algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening zonder aanvullende voorziening niet adequaat is, dan wel
c. algemene voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 21, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5
Artikel 23
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Voorzieningenverordening maatschappelijke ondersteuning 2010