1. De leden van de raad, de commissiewoordvoerders, de leden van het college, en de overige aanwezigen, spreken vanaf hun zitplaats of de centrale spreekplaats en richten zich tot de voorzitter.
2. Burgers die gebruik maken van het spreekrecht, spreken vanaf de centrale spreekplaats of vanaf een door de voorzitter van de vergadering aan te wijzen plaats.
3. Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter van de vergadering bepalen dat de in het eerste lid genoemde personen vanaf een andere plaats spreken.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3
Artikel 24
Spreekregels
Onderdeel van Verordening inhoudende het reglement van orde voor de werkwijze van de gemeenteraad en de raadscommissies 2007