1. Indien met een vaartuig binnen de termijn meer dan een maal gebruik van de haven wordt gemaakt geldt als tijdstip, bedoeld in artikel 8, uitsluitend het tijdstip waarop het eerste gebruik van de haven binnen de termijn een aanvang neemt.
2. Indien het gebruik van de haven met een vaartuig wordt voortgezet nadat de termijn is verstreken, vangt een nieuwe termijn aan en neemt met betrekking tot de laatstbedoelde termijn het gebruik van de haven opnieuw een aanvang. Het in de vorige volzin bepaalde vindt geen toepassing ingeval het gebruik van de haven wordt beëindigd voor desmiddags twaalf uur op de dag, volgende op de laatste volle dag van de verstreken termijn.
3. In afwijking in zoverre van het tweede lid kan op verzoek van de belastingplichtige een termijn van 7 dagen worden verlengd tot 14 dagen. Alsdan is binnenhavengeld verschuldigd tot het bedrag waarmede het voor een termijn van 14 dagen verschuldigde bedrag het voor de termijn van 7 dagen verschuldigde bedrag overtreft. Het in de eerste volzin bedoelde verzoek moet binnen 14 dagen na de aanvang van het gebruik van de haven bij het college van burgemeester en wethouders worden ingediend. Gelijktijdig met het verzoek moet het in de tweede volzin bedoelde binnenhavengeld overeenkomstig de aangifte worden betaald.
Artikel 10
Herhaald gebruik binnen termijn; verlenging termijn
Onderdeel van Binnenhavengeldverordening 2010