Het onrechtmatig bewonen van een recreatiewoonverblijf druist in tegen het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting, maar ook op het gebied van de recreatie en toerisme. De ruimte voor recreëren is beperkt. Dit betekent dat met de beschikbare ruimte zuinig moet worden omgegaan. Permanente bewoning hoort niet thuis op de (schaarse) voor recreatie bestemde gronden. Bovendien wordt daardoor ook de kwaliteit van het recreatieve product aangetast.
In hoeverre de permanente bewoning van een recreatieverblijf op lokaal niveau ongewenst is dient te worden bezien aan de hand van negatieve effecten die met de permanente bewoning gepaard gaan.
Enkele voorbeelden van negatieve effecten:
Permanente bewoning op recreatieterreinen leidt tot onttrekking aan de voor de recreatiedoeleinden bestemde voorraad zodat elders meer behoefte ontstaat aan recreatievoorzieningen.
Permanente bewoning op recreatieterreinen of elders in het buitengebied gaat in tegen het ruimtelijk beleid dat is gericht op bundeling van wonen, werken en voorzieningen en op beperking van de mobiliteit en de aantasting van het buitengebied.
De nieuwe bewoners maken gebruik van lokale voorzieningen, voor sommige voorzieningen is dat een voordeel (winkels) maar voor andere een nadeel, gedacht kan worden aan gesubsidieerde voorzieningen als de thuiszorg of aan sociale uitkeringen.
Concentraties van permanent bewoonde delen van recreatieterreinen kunnen door het intensievere gebruik en het dichtslibben van recreatieterreinen tot visuele verloedering leiden doordat van oorsprong natuurlijk ogende terreinen worden aangekleed met verharde terrassen, schuren, siertuinen, hekken of schuttingen.
De bewoners hebben financieel voordeel, doordat het verblijf niet is bestemd tot woning is de aanschafprijs laag ten opzichte van een reguliere woning.
Recreatieve en permanente bewoners hebben een verschillend uitgavenpatroon, toeristen blijken in de praktijk meer te besteden dan permanente bewoners.
Er kunnen op een recreatieterrein spanningen ontstaan tussen permanente bewoners en vakantiegangers doordat zij veelal verschillende leefpatronen hebben.
Tijdelijke situaties kunnen uitgroeien tot permanente situaties voor onbepaalde tijd.
Met name het gemeentelijk planologisch beleid is in het geding. Het ruimtelijke beleid in Nederland maakt duidelijk onderscheid tussen woonwijken die als zodanig zijn bestemd en het mogelijk maken van recreatieverblijven op de daarvoor aangewezen terreinen. Het mag duidelijk zijn dat een woonwijk die als zodanig is ontwikkeld, voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld zoals een goede ontsluiting, een stedenbouwkundig ontwerp, wijkvoorzieningen en dergelijke. Op recreatieterreinen spelen andere uitgangspunten/belangen een rol. Hierdoor heeft woningbouw op een recreatieterrein niet die stedenbouwkundige kwaliteit die doorgaans aan een woonwijk wordt gesteld.
Opgemerkt dient te worden dat het niet optreden tegen permanente bewoning van recreatieverblijven uiteindelijk leidt tot een situatie waarbij het in alle redelijkheid niet meer mogelijk is om op te treden. De precedentwerking die van het niet-optreden uit zal gaan en het vertrouwen dat wordt gewekt bij kopers van een recreatieverblijf dat tegen permanente bewoning door de gemeente niet wordt opgetreden, ontnemen de gemeente alle bevoegdheid om alsnog tegen dit probleem actie te ondernemen.
Voorts dient te worden gewezen op de mogelijkheid dat de gemeente minder mogelijkheden kan krijgen om reguliere woningen te bouwen. Zo is het Kwalitatieve woningbouwprogramma (KWP) met de Provincie Gelderland en de overige gemeenten in de regio afspraken gemaakt over het aantal woningen dat Bronckhorst bouwt en voor welke doelgroepen. Het bewonen van recreatiewoonverblijven is geen onderdeel van het KWP en is in strijd met het ruimtelijke- en volkshuisvestingsbeleid van de Provincie Gelderland. Bewoning van recreatieverblijven komt boven op het afgesproken woningbouwprogramma dat daarmee wordt overschreden.
Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er genoeg redenen zijn om het permanent bewonen van recreatieverblijven tegen te gaan. Dat de aanpak niet eenvoudig is blijkt wel uit de omschrijving van het probleem. Aangetoond dient namelijk te worden dat sprake is van een hoofdverblijf. Daarnaast dient betrokkene in het geval van gemeentelijk optreden aan te tonen dat hij/zij elders een hoofdverblijf houdt.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.2
Onrechtmatige bewoning is het in strijd met het bestemmingsplan permanent bewonen van niet voor bewoning bestemde gebouwen.
Onderdeel van Beleidsnota onrechtmatige bewoning recreatiewoonverblijven