Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.1.1

Beleidsbrief 11 november 2003

Onderdeel van Beleidsnota onrechtmatige bewoning recreatiewoonverblijven

De minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu geeft in haar beleidsbrief van 11 november 2003 (als bijlage bijgevoegd) het kader waarbinnen de gemeenten hun eigen beleid inzake permanente bewoning vorm kunnen geven. Verder heeft de minister de gemeenten gevraagd om voor 31 december 2004 het gemeentelijke beleidskader voor permanente bewoning vast te stellen. In de brief van de minister wordt uitgebreid ingegaan op de aanleiding voor de brief. De minister constateert dat gesteld kan worden dat er ten aanzien van de onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven sprake is van een scheefgegroeide situatie, met een zware handhavingslast tot gevolg. Als een van de uitgangspunten van het rijksbeleid hanteert de minister dan ook ‘Vermindering van de handhavingslast voor gemeenten: specifiek ten aanzien van de onrechtmatige bewoning vergt het handhaven van bestemmingsplannen en zeker het louter via een handhavingsspoor recht trekken van de scheefgegroeide situatie, een relatief zware handhavingsinspanning voor gemeenten. Ik streef naar verlichting van deze handhavingstaak.” Als uitwerking van bovenstaande uitgangspunten geeft de minister in genoemde brief aan gemeenten en provincies meer ruimte voor woningbouw in het buitengebied, niet zijnde gebieden die in de Nota Ruimte als waardevol en/of kwetsbaar worden aangemerkt. Dit betreft volgens de minister niet alleen nieuwbouw van woningen maar ook het realiseren van functieveranderingen en het herbestemmen van bestaande bebouwing. Het wijzigen van een recreatiebestemming naar een woonbestemming hoeft vanuit nationaal beleid dan ook niet bezwaarlijk te zijn. Bij de afweging om eventueel tot een bestemmingswijziging over te gaan spelen op lokaal en regionaal niveau vele ruimtelijke en economische factoren een rol, waaronder het belang van het borgen van voldoende verblijfsrecreatief aanbod en het borgen en ontwikkelen van de kwaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied. Dit betekent dat een besluit om tot legalisatie over te gaan uiteindelijk een afweging is die door de gemeente en provincie gezamenlijk moet worden genomen. In de brief van 11 november 2003 biedt de minister gemeenten en provincies de mogelijkheid om voor complexen van recreatiewoningen waar nu feitelijk in grote mate onrechtmatig wordt gewoond een bestemmingswijziging door te voeren. Dit geldt voor complexen: die op 31 oktober 2003 in grote mate onrechtmatig worden bewoond; die zijn gelegen buiten waardevolle en/of kwetsbare gebieden; die thans niet bedrijfsmatig worden geëxploiteerd; waarvan de woningen voldoen aan het Bouwbesluit; waarvan een bestemmingswijziging niet in strijd is met de toepasselijke milieuwetgeving. Het is niet de bedoeling dat complexen waar niet of nauwelijks wordt gewoond (vuistregel minder dan 50%) worden herbestemd. Tevens is het niet de bedoeling dat bij de bedoelde bestemmingswijziging de eventuele recreatiefunctie van het betreffende gebied in gevaar komt dan wel dat er een nieuwe behoefte aan recreatiewoningen in hetzelfde gebied ontstaat. Voor alle andere voorkomende situaties van onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven op 31 oktober 2003 dienden gemeenten en provincies uiterlijk 31 december 2004 aan te geven op welke wijze de onrechtmatige bewoning zal worden beëindigd. Dit zijn die situaties waar op 31 oktober 2003 onrechtmatig wordt gewoond, maar waar op grond van het rijksbeleid geen bestemmingswijziging aan de orde kan zijn dan wel waar gemeenten en / of provincies op grond van hun eigen beleid geen bestemmingswijziging overwegen. In beginsel dienen gemeenten ten aanzien van deze situaties van onrechtmatige bewoning een actief handhavingsbeleid te voeren.

Rechtspraak bij dit artikel