Artikel 3 van de verordening is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In principe komt iedere burger met een positieve beoordeling op de aanvraag voor een individuele voorziening in aanmerking voor een Pgb. Op deze regel zijn echter uitzonderingen mogelijk. De uitzonderingen zullen steeds individueel beoordeeld en gemotiveerd worden. Zo is in de parlementaire behandeling van de Wmo aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn, met name als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan (zie artikel 6 lid 2 onder c van het besluit). Verder heeft in een Algemeen Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys, de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat deze regel ook niet bedoeld is om goed draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (voorziening in natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van collectief vervoer zou zo een voorziening wegvallen. Daarom is in de verordening nog steeds het primaat van het collectief vervoer opgenomen. Bij verzoeken om een persoonsgebonden budget van een aanvrager die medisch gezien wel van het collectief vervoer gebruik kan maken, zal deze aanvraag afgewezen worden. Dit onderdeel zal in het hoofdstuk vervoer nog nader worden uitgewerkt. In artikel 6 lid 2 van het besluit is bepaald dat verstrekking van een persoonsgebonden budget niet plaats vindt, indien:
de voorziening een algemene voorziening betreft;
er sprake is van hulp bij het huishouden met een looptijd tot 3 maanden;
op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de ondersteuningsvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;
het woonvoorzieningen zijn die uitsluitend in natura worden verstrekt. Deze zijn: mobiele tilliften (inclusief staliften), losse douchestoelen, douchebrancards, toiletstoelen, badliften en transferhulpmiddelen.
Ad a. Een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen, zie artikel 6 lid 1 sub a van de verordening. Ad b. Een persoonsgebonden budget wordt bij hulp bij het huishouden alleen verstrekt indien deze voorziening langdurig noodzakelijk is, zie artikel 6 lid 1 sub b van de verordening. Ad c. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien:
de ondersteuningsvrager wilsonbekwaam is, tenzij hij wordt vertegenwoordigd;
de belanghebbende die verzoekt in aanmerking te komen voor een Pgb geen inzicht heeft in zijn functionele beperkingen, tenzij hij wordt vertegenwoordigd;
de belanghebbende die verzoekt in aanmerking te komen voor een Pgb over onvoldoende organisatie- en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt, tenzij hij wordt vertegenwoordigd;
de belanghebbende door dementie, een verstandelijke handicap, of ernstige psychische problemen over onvoldoende inzicht beschikt, tenzij hij wordt vertegenwoordigd;
de belanghebbende niet in staat is de voorzieningen bij een leverancier uit te kiezen, aan te kopen en zorg te dragen dat de voorziening gedurende de looptijd van het persoonsgebonden budget in goede staat in gebruik kan blijven;
er sprake is van grote financiële problemen bij de belanghebbende, tenzij op belanghebbende financieel toezicht wordt uitgeoefend door bijvoorbeeld het maatschappelijk werk of een gemeentelijke kredietbank;
eerder bij controle is gebleken dat de ondersteuningsvrager het Pgb heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze was verstrekt.
Ad d. Bepaalde roerende woonvoorzieningen worden uitsluitend in natura aangeboden om te voorkomen dat er sprake zal zijn van kapitaalvernietiging. Deze verstrekking en het niet bieden van een keuze voor een persoongebonden budget hangt samen met het vormen van een depot en de daarmee samenhangende herverstrekking.
Naast bovengenoemde redenen kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een zeer progressief ziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen niet al te lange tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een andere voorziening. En wellicht daarna weer. Het moge duidelijk zijn dat deze situatie zich ook niet leent voor een persoonsgebonden budget, omdat al vaststaat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal blijven. Of er andere redenen zullen zijn waarom het toekennen van een persoonsgebonden budget geweigerd moet worden is op dit moment nog niet te overzien. In de uitvoering zal duidelijk worden of er ook andere situaties zijn waarin weigering op zijn plaats is. Deze nieuwe situaties zullen later toegevoegd worden.
Artikel 6 van de verordening bepaalt de voorwaarden die van toepassing zijn op het persoonsgebonden budget. De eerste voorwaarde daarbij is dat een persoonsgebonden budget alleen verstrekt wordt ten aanzien van individuele voorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt (zie artikel 6 lid 2 onder a van het besluit). Dat vloeit ook voort uit de aard van de algemene voorzieningen: dat zijn immers oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe zorg betreffen of betrekking hebben op incidentele zorgbehoeften. Om deze voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen gevraagd. Daarbij is er een alternatieve mogelijkheid: indien de aanvrager van mening is dat de algemene voorziening geen adequate oplossing is of een persoonsgebonden budget verstrekt moet worden, dan kan een aanvraag ingediend worden, of als al een aanvraag ingediend is, kan die volgens de reguliere regels van de Algemene wet bestuursrecht worden afgehandeld.
De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:- Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft (maximaal 13 weken); - Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; - Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.