Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.3

Omvang van het persoonsgebonden budget

Onderdeel van Beleidsregels (verstrekkingenboek) voorzieningen en maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst 2007

De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Hierbij dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg. Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies bepaald. Voor de functie huishoudelijke verzorging was hierbij sprake van de volgende tarieven: Klasse 1:          €      884,- per jaar Klasse 2:          €   2.654,- per jaar Klasse 3           €   4.866,- per jaar Klasse 4           €   7.520,- per jaar Klasse 5           € 10.175,- per jaar Klasse 6           € 12.828,- per jaar. Diegenen die op basis van overgangsrecht op 31 december 2006 een indicatie hebben zullen ook in het jaar 2007deze bedragen nog ontvangen zo lang als de indicatie duurt, doch maximaal tot en met 31 december 2007. Diegenen die in 2007 een eerste aanvraag doen en direct onder de gemeentelijke regels vallen krijgen een bedrag dat gelijkstaat aan 100% van de tegenwaarde van het goedkoopst adequate tarief van de zorg in natura voor hulp bij het huishouden (zie artikel 17 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bronckhorst 2007): Klasse Uren per week Bedrag Pgb HV1 per week / per jaar Bedrag Pgb HV2 per week / per jaar 1 0 t/m 1,9 uur     (  0,95) 13,77 / 718,23 20,90 / 1.089,73 2 2 t/m 3,9 uur     (  2,95) 42,78 / 2.230,29 64,90 / 3.383,89 3 4 t/m 6,9 uur     (  5,45) 79,03 / 4.120,36 119,90 / 6.251,59 4 7 t/m 9,9 uur     (  8,45) 122,53 / 6.388,45 185,90 / 9.692,83 5 10 t/m 12,9 uur (11,45) 166,03 / 8.656,54 251,90 / 13.134,07 6 13 t/m 15,9 uur (14,45) 209,53 / 10.924,63 317,90 / 16.575,31 Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Voor woonvoorzieningen betekent dat het persoonsgebonden budget gelijkgesteld wordt aan de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Bij vervoers- en rolstoelvoorzieningen wordt de hoogte van het Pgb bepaald door de kosten die de gemeente betaalt voor de goedkoopst-adequate voorziening wanneer zij deze in natura zou verstrekken. Hierbij gaat het om de goedkoopst-adequate kostprijs inclusief de kosten die gemaakt moeten worden voor noodzakelijke aanpassingen en voor zover daar sprake van kan zijn verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie over het jaar voorafgaand aan het laatste volle kalenderjaar voor de toekenning van de voorziening. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via de leverancier worden opgevraagd. Wanneer de ondersteuningsvrager kiest voor meer luxe op of aan de voorziening, dient hij dit zelf bij te betalen. Dit betekent dat elke voorziening (hulpmiddel) zijn eigen Pgb heeft. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt dus uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Om de hoogte van de goedkoopst-adequate voorziening vast te stellen maakt de gemeente gebruik van de kernassortimentlijsten van de door haar gecontracteerde leverancier. In deze lijsten worden de prijzen per product en de full-service kosten apart weergegeven. In deze lijsten staan de prijzen met kortingen vermeld, omdat de gemeente een grote hoeveelheid voorzieningen afneemt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. In de praktijk zal het vaak voorkomen dat een voorziening moet worden aangepast. Om de hoogte van de voorziening dan te bepalen zal een offerte bij de gecontracteerde leverancier opgevraagd moeten worden. Aan de hand van de offerte wordt het pgb vervolgens vastgesteld. De korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget, omdat het immers niet de bedoeling is dat een Pgb meer geld gaat kosten dan een verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft.

Rechtspraak bij dit artikel