Per 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (hierna Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) in werking getreden. De wet en het besluit komen in de plaats van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985). De nieuwe Wro biedt, evenals de oude WRO, burgemeester en wethouders de mogelijkheid om af te wijken van geldende bestemmingsplannen. In de oude wet heette dit een “vrijstelling”. Onder de nieuwe wet heet dit voortaan een “ontheffing”. Op die wijze kunnen projecten van minder ingrijpende aard, zogeheten ‘kruimelgevallen’, zonder tijdrovende procedures gerealiseerd worden. In tegenstelling tot het projectbesluit en het bestemmingsplan geldt voor deze ontheffing niet de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing. Artikel 3.23 Wro geeft burgemeester en wethouders, in de in artikel 4.1.1 Bro aangegeven gevallen en onder de daarin gestelde voorwaarden, de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de bepalingen van het bestemmingsplan. Het Bro geeft zelf al zekere beperkingen aan reikwijdte van deze bevoegdheid. Er blijft echter, net als bij de Bro 1985, een zekere beleidsvrijheid aan gemeenten. De situaties waar het om gaat zijn opgesomd in het Bro. Deze opsomming is weliswaar limitatief, maar de normstelling per geval is ruim, dan wel afwezig. De ontheffingsmogelijkheid lijkt in beginsel zeer ruime mogelijkheden te bieden en alle ruimte te geven tot invulling via eigen (gemeentelijk) beleid. De bestuursrechter heeft echter inmiddels via uitspraken bepaald, dat de wetgever deze ontheffingsmogelijkheid expliciet bedoeld heeft voor kruimelgevallen en vervolgens ontheffingsbesluiten die een kruimelgeval duidelijk te boven gingen vernietigd. Dat een en ander zou kunnen leiden tot onduidelijkheid en tot excessen in stedenbouwkundige zin en uit oogpunt van een goed woonmilieu, is aanleiding om voor de toepassing van de ontheffing deze beleidsregels vast te stellen. Over het algemeen houden deze beleidsregels een nuancering in van de in het Bro geboden otheffingsmogelijkheden, met name door het stellen van criteria, zoals maximale afmetingen. De ruimte hiertoe is door de wetgever ook gegeven blijkens de wetsgeschiedenis inzake de WRO en Bro 1985. Volgens de nota van toelichting bij het Bro 1985 zou vrijstelling niet meerdere keren mogen worden toegepast. Bij wijziging van het Bro zou dit ook voor de ontheffingen gelden. Het beginsel van rechtsgelijkheid verzet zich er evenwel - ook volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in de uitgave “WRO 2000 in de praktijk” (vraag 2.1.13) tegen dat cumulatief iets niet zou kunnen wat in één keer wel zou kunnen worden toegelaten. Jurisprudentie bevestigt dit.