Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) schrijft voor dat besluiten, waaronder ook beslissingen op verzoeken om ontheffing vallen, op zorgvuldige wijze tot stand moeten komen. Het gaat hier om een bevoegdheid, geen plicht, hetgeen betekent dat er ook een ruime belangenafweging zal moeten plaatsvinden (motiveringsplicht). Artikel 4:82 Awb regelt dat wij beleidsregels kunnen vaststellen voor de uitoefening van de ons toekomende bevoegdheden. Via onderhavige beleidsregels geven wij aan hoe wij in zijn algemeenheid met verzoeken om ontheffing ex artikel 3.23 Wro wensen om te gaan. Ontheffing is geen ‘verplichting’, maar een ‘bevoegdheid’ met een afweging per individueel geval. Bepaalde aanvragen kunnen weliswaar kwantitatief passen binnen de beleidsregels, maar vanuit het oogpunt van stedenbouw en/of woonmilieu in relatie tot de omgeving ongewenst zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor gevallen waarin het verlenen van ontheffing leidt tot een verdichting van de achtertuin in relatie tot een stedenbouwkundig gewenste openheid, al dan niet mede in relatie tot de omgeving. Maar ook bijvoorbeeld voor woongebieden waarvoor in het bestemmingsplan een afwijkende regeling is opgenomen en de beperking een beleidsmatige keuze is. Te denken valt hierbij aan o.a. bungalows, bejaardenwoningen, recreatiewoningen of woongebouwen waar een specifiek stedenbouwkundig concept aan ten grondslag heeft gelegen. Binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht kan de toepassing van de ontheffing tot ongewenste situaties leiden die de ruimtelijke en/of cultuurhistorische kwaliteit aantasten. In dergelijke gevallen kunnen wij gemotiveerd het verzoek om ontheffing afwijzen.