Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.2 › Paragraaf 2.2.4

Artikel 2.2.4.6

Antenne-installatie

Onderdeel van Beleidsregels ontheffing art. 3.23 WRO

Voor antenne-installaties geeft (artikel 4.1.1, onder g Bro zelf voorwaarden ten aanzien van de hoogte. Afhankelijk van de locatie kunnen deze bouwwerken een behoorlijke impact hebben. Voor de toepassing van deze mogelijkheid geldt dat per aanvraag een goede afweging gemaakt dient te worden over de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Wij vinden het wenselijk om, voor zover het gaat om GSM- en UMTS-masten, nadere regels te stellen ten aanzien van de minimale afstand tot woningen en ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Daartoe hebben wij op 11 september 2007 beleidsregels vastgesteld voor toepassing van vrijstelling (artikel 15, 17 of 19 WRO). Op grond van het overgangsrecht inzake de nieuwe Wro worden vrijstellingen ex artikel 15, 17 en 19, lid 3 WRO gelijkgesteld met ontheffingen ex artikel 3.6, lid 1, onder c, 3.22 en 3.23 Wro. Van rechtswege zijn de beleidsregels voor genoemde vrijstellingen dan ook van toepassing op de corresponderende ontheffingen. Voor de duidelijkheid en eenduidigheid verklaren wij in onderhavige beleidsregels het specifieke beleid voor GSM- en UMTS-masten van toepassing. Omdat de maatschappelijke en politieke discussie omtrent dit onderwerp in beweging is, bewegen inzichten over de toelaatbaarheid en voorwaarden voor het plaatsen van deze masten mee. Dit kan leiden tot wijziging van het specifieke beleid. Wij hebben daarom opgenomen dat een verzoek om ontheffing, naast het gestelde in het Bro, wordt getoetst aan de op het moment van verzoek geldende specifieke beleidsregels voor GSM- en UMTS-masten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel