Voor persoonsgebonden ontheffingen voor bewoning van recreatiewoningen geeft artikel 4.1.1, onder j Bro zelf voorwaarden ten aanzien van de toepasbaarheid. De recreatiewoning moet voldoen aan de bouwtechnische eisen van een reguliere woning, de verlening mag niet in strijd zijn met milieuregelgeving en de aanvrager moet in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik hebben gehad en deze sedertdien onafgebroken hebben bewoond. In tegenstelling tot de andere ontheffingsmogelijkheden, is deze ontheffing persoonsgebonden voor de hoofdbewoner en diens meerderjarige huisgenoten en niet overdraagbaar. De ontheffing kan worden geweigerd als de verlening in strijd is met het op 31 oktober 2003 gevoerde handhavingsbeleid. In de memorie van toelichting is daarover opgenomen dat een gemeente die niet binnen redelijke termijn na aanvang van een onrechtmatige bewoning aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan haar handhavingsbeleid (dus op dossierniveau), de ontheffing formeel nog wel kan weigeren, maar dit dan wel extra goed moet motiveren. Dat geldt zeker indien het gaat om langdurig bestaande en feitelijk gedoogde onrechtmatige situaties. Op 15 mei 2007 hebben wij beleidsregels vastgesteld ten aanzien van onrechtmatige bewoning van recreatiewoonverblijven. Daarmee zijn beleidsregels gegeven voor het verlenen van persoonsgebonden beschikkingen (PGB’s) voor bewoning van recreatiewoonverblijven. In 32 gevallen veel onrechtmatige bewoning hebben wij reeds PGB’s verleend. Er is op grond van dat beleid thans geen mogelijkheid meer om een PGB aan te vragen. Wel kan er dus een ontheffing worden aangevraagd. Het PGB-beleid komt overeen met hetgeen in het Bro voor ontheffingen is geregeld, maar bevat een meer gedetailleerde uitwerking. Wij vinden het wenselijk om bij de behandeling van een verzoek om ontheffing aansluiting te zoeken bij het PGB-beleid. De geldende beleidsregels voor PGB’s zijn dan ook van toepassing verklaard.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.2 › Paragraaf 2.2.4
Artikel 2.2.4.9
Bewoning recreatiewoningen
Onderdeel van Beleidsregels ontheffing art. 3.23 WRO