1. Als maatstaf van heffing voor percelen op een recreatieterrein wordt aangemerkt het aantal kubieke meters water dat vanuit het recreatieterrein in de verbruiksperiode wordt afgevoerd.
2. Het tweede tot en met het vierde lid van artikel 5 van de Verordening rioolheffing 2010 zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van het aantal kubieke meters als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat in het tweede lid van dat artikel voor ‘perceel’ recreatieterrein moet worden gelezen.
3. De verbruiksperiode is in de gevallen waarin de heffing door middel van afrekeningen van Brabant Water NV plaatsvindt de verbruiksperiode zoals die voor de betrokken belastingplichtige voor de betreffende percelen geldt.
4. In andere gevallen dan bedoeld in het derde lid is de verbruiksperiode gelijk aan het kalenderjaar.
5. De tarieven voor de berekening van de omvang van de belastingschuld zijn de tarieven zoals opgenomen in artikel 6 van de Verordening rioolheffing 2010.