Indien uit het in artikel 4, eerste lid, bedoelde plan blijkt
dat er sprake is van:
verlies van oppervlakte aan bos,
aantasting van de kwaliteit van bos, en/of,
verlies aan oude bosbodem, zulks ter beoordeling van
burgemeester en wethouders, stellen burgemeester en wethouders
de compensatie vast afhankelijk van de leeftijd van het bos als
levensgemeenschap en met inachtneming van de volgende criteria:
als het bos of de beplanting nog geen 25 jaren oud is, dient
133% van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor het
verlies van de oppervlakte en 33% oppervlakte voor het verlies
van kwaliteit);
als het bos of de beplanting ouder is dan 25 jaren doch jonger
dan 100 jaren, dient 166% van de oppervlakte gecompenseerd te
worden (100% voor het verlies van de oppervlakte en 66%
oppervlakte voor het verlies van kwaliteit);
als het bos of de beplanting ouder is dan 100 jaren, dient 300%
van de oppervlakte gecompenseerd te worden (100% voor het
verlies van de oppervlakte en 200% oppervlakte voor het verlies
van kwaliteit).
Van geval tot geval wordt bezien of en hoe de natuurlijke
kwaliteiten geregenereerd kunnen worden. Mocht regeneratie niet
mogelijk zijn, dan wordt geen medewerking verleend aan de
ingreep. Compensatie wordt uitgevoerd op een van tevoren te
bepalen plaats waar potentieel dezelfde waarden kunnen worden
ontwikkeld. Deze plaats dient zich in het algemeen nabij de
plaats van de ingreep te bevinden en waar aansluiting bij de
bestaande waarden kan worden gezocht. Is deze mogelijkheid niet
aanwezig, dan zal in de nabije omgeving een andere locatie
(aansluitend aan de EHS, aan bestaand bos, aan bestaande
natuurterreinen) moeten worden gevonden.
Indien boswaarden verloren gaan ten behoeve van een zeldzamer
ecosysteem, gelden uitsluitend de compensatienormen van de Boswet.