Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een
zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een
verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast
op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
Hoofdstuk
Artikel 4.7