Bij een woningontruiming kunnen een aantal partijen worden onderscheiden:
de opdrachtgever, bijvoorbeeld de woningbouwvereniging;
de eigenaar van de ontruimde goederen.
In de basis betreft het een conflict tussen deze twee partijen.
Daarnaast zijn te onderscheiden:
de rechter, die het vonnis uitspreekt tot ontruiming;
de gerechtsdeurwaarder, die wettelijk verplicht is vonnissen ten uitvoer te leggen (en onder wiens verantwoordelijkheid de feitelijke ontruiming wordt uitgevoerd);
de politie, die de hulpofficier van Justitie levert en indien nodig als sterke arm optreedt tijdens de ontruiming;
de gemeente, die verschillende rollen kan aannemen. Hierop wordt nu nader ingegaan.
Bij een ontruiming plaatst de gerechtsdeurwaarder de inboedel veelal op de openbare weg, en laat deze hier staan. De gerechtsdeurwaarder voert daarmee slechts een vonnis uit. (4)
Het plaatsen van de inboedel op de openbare weg is een overtreding van artikel 2.1.5.1 uit de APV. Hierin staat dat de openbare weg (zonder vergunning) niet anders mag worden gebruikt dan de bestemming hiervan. Dit ter beperking van gevaar en overlast. Overigens stelt ook de Afvalstoffenverordening beperkingen aan de manier waarop afval mag worden aangeboden.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 7 november 2001 bepaald, dat de verhuurder als opdrachtgever van de woningontruiming als overtreder van artikel 2.1.5.1 van de APV kan worden aangemerkt. Immers, in opdracht van de verhuurder wordt de woning ontruimd en dientengevolge komen de eigendommen van de huurder op de openbare weg te staan. Het feit dat de inboedel geen eigendom van de verhuurder is, laat onverlet dat zij degene is die via de deurwaarder tot ontruiming overgaat. Het is de verhuurder die (door middel van de opdracht aan de deurwaarder) het in artikel 2.1.5.1 APV opgenomen verbod om zonder vergunning voorwerpen of stoffen op de weg te plaatsen, schendt of dreigt te schenden. Anders gezegd: (naast de huurder) heeft de verhuurder heeft het in haar macht de overtreding te voorkomen. Zowel de huurder als de verhuurder zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het vervoeren en opslaan van de inboedel.
Indien een inboedel op straat wordt geplaatst na een ontruiming is er sprake van overtreding van artikel 2.1.5.1 APV. Het college van B&W is verantwoordelijk voor het handhaven van de bepalingen in de APV. Artikel 125 Gemeentewet - in samenhang met afdeling 5.3 Awb - geeft het college de bevoegdheid om, in geval van schending of dreigende schending van het verbod zoals neergelegd in artikel 2.1.5.1 APV, op kosten van de overtreder middels bestuursdwang een einde te maken aan de overtreding.
Hieraan zijn wel een aantal voorwaarden verbonden.
Op grond van artikel 5:29 Awb behoort tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang, het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist. Als zaken zijn meegevoerd en opgeslagen moet daarvan proces-verbaal (5) worden opgemaakt, waarvan een afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had. (6)
De zorgplicht die op het bestuursorgaan rust omvat de verplichting redelijke maatregelen te nemen voor de instandhouding van de opgeslagen zaken (zgn. bewaardersverantwoordelijkheid) en het verzorgen van meegevoerde (huis)dieren. In het laatste geval zal bij de ontruiming contact worden opgenomen met de dierenambulance.
De goederen moeten in principe aan de rechthebbende worden teruggegeven. Het college heeft daarbij echter wel een retentierecht: de afgifte kan worden opgeschort totdat de in de bestuursdwangbeschikking genoemde kosten zijn voldaan (artikel 5:29, lid 4, Awb). (7)
Op grond van art 5:30 lid 1 Awb moeten de daarvoor vatbare zaken 13 weken worden bewaard. Uitzondering hierop zijn gevallen waarin de kosten van bewaring uitgaan boven de waarde van de inboedel. Indien echter is besloten tot opslag dan geldt er een minimumtermijn van twee weken.
Samenvattend:
De gemeente is pas in tweede instantie (wettelijk) verplicht tot het vervoeren en opslaan van de inboedel, namelijk in het geval dat de eigenaar en de opdrachtgever tot ontruiming dit nalaten. Bovendien gaat het slechts om dat deel van de inboedel dat ´daarvoor vatbaar´ is; dat wil zeggen: niet gevaarlijk, bederfelijk of onhygiënisch. Indien besloten wordt tot opslag, dan geldt een minimum termijn van twee weken. Na deze termijn mag de gemeente de opslag beëindigen zodra de kosten van opslag de (geschatte) waarde van de inboedel overschrijden. De opslag mag hoe dan ook na 13 weken beëindigd worden. De eigenaar heeft gedurende die periode de tijd om de inboedel op te halen. Hierbij mag de gemeente als voorwaarde stellen dat de gemaakte opslagkosten worden vergoed voordat sprake kan zijn van teruggave van de inboedel. Indien de eigenaar na 13 weken de inboedel niet ophaalt (ongeacht om welke reden), is de gemeente gerechtigd deze weg te geven, te verkopen of te vernietigen. De opbrengst is voor de gemeente, om (deels) de kosten te dekken. Indien de opbrengst hoger is dan de gemaakte kosten, dan gaat het restant naar de eigenaar. In de gemeente Houten wordt standaard overgegaan tot vernietiging van de inboedel. In de praktijk blijkt namelijk dat de eigenaar van de inboedel de waardevolle spullen voor de ontruiming elders onderbrengt.
------------------------------------------------------------------------------------
(4) De deurwaarder wordt op grond van jurisprudentie niet beschouwd als overtreder van de APV.
(5) Door een opsporingsambtenaar of door bijvoorbeeld een gemeentelijk toezichthouder die daartoe krachtens mandaat gemachtigd is.
(6) Als zodanig kan worden beschouwd degene die de zaken in zijn macht had op het tijdstip van uitoefening bestuursdwang. Door de term rechthebbende niet te gebruiken, wordt voorkomen dat het bestuursorgaan zich in de vraag moet verdiepen of degene onder wiens beheer de zaken werden aangetroffen tevens ook de rechthebbende is (MvT, Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, p159).
(7) In het geval de rechthebbende niet de overtreder is, is hij de kosten van bestuursdwang niet verschuldigd. De rechthebbende hoeft in dat geval alleen de opslagkosten te betalen.