Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3.1

De keuze voor bestuursdwang als handhavingsinstrument

Onderdeel van Notitie inboedelverwijdering na woningontruiming gemeente Houten

De aanpassing van het huidige beleid beoogt te bewerkstelligen dat de huurder en verhuurder hun verantwoordelijkheid nemen en voorkomen dat een inboedel op de openbare weg wordt geplaatst. De gemeente wil zich beperken tot haar wettelijke taak en pas in tweede instantie zorgen voor afvoer en opslag van op straat geplaatste inboedels. De gemeente heeft twee instrumenten tot haar beschikking om het achterlaten van goederen op de openbare weg na een ontruiming tegen te gaan. De gemeente kan kiezen tussen handhaving via een privaatrechtelijke of via een publiekrechtelijke weg. Privaatrechtelijke handhaving Handhaving via privaatrechtelijke weg vindt plaats doordat de gemeente als eigenaar van de weg (d.w.z. privaatrechtelijk persoon) optreedt. Na de kennisgeving door de deurwaarder kan de gemeente de executant c.q. eigenaar/houder meedelen dat de gemeente als eigenaar verbiedt de goederen op de openbare weg te plaatsen. Om dit recht van tevoren vast te leggen kan via een kort geding bij de President van de rechtbank een rechterlijk verbod tot plaatsing worden verkregen. Ook kan er in de vordering in kort geding worden gevraagd voor iedere overtreding een (privaatrechtelijke) dwangsom op te leggen. Dit instrument is alleen te gebruiken bij grote hoeveelheden omdat vaak de daaraan verbonden kosten zodanig zijn, dat die niet voor rekening van de zaakwaarnemer (gemeente) kunnen worden genomen. Een belangrijk nadeel van zaakwaarneming is dat deze niet eenzijdig beëindigd kan worden. Daardoor loopt de zaakwaarnemer het risico – zeker bij goederen van geringe waarde – dat de kosten die hij moet maken om de goederen op te slaan, de waarde van de goederen overstijgen. De mogelijkheid van het meenemen en opslaan van zaken en het recht van parate executie, bestond onder de vorige Gemeentewet (nog) niet. Nu deze mogelijkheid inmiddels wel bestaat en per 1 januari 1998 ook in de Awb een regeling is opgenomen, bestaat de voorkeur om te kiezen voor de publiekrechtelijke weg. Hiermee wordt zowel het vraagstuk van de twee-wegenleer als van het gecompliceerde kostenverhaal in privaatrechtelijke procedures voorkomen. Gezien de zeer strenge tweewegenleer die in de rechtspraak wordt gehanteerd en de omstandigheid dat via de publiekrechtelijke weg een met de privaatrechtelijke weg vergelijkbaar resultaat kan worden behaald, is er een belangrijke aanwijzing dat er geen plaats is voor de privaatrechtelijke weg.(8) Geredeneerd kan worden dat met toepassing van de regeling in afdeling 5.3 van de Awb voor wat betreft de verwijdering en opslag van zaken een met de privaatrechtelijke weg vergelijkbaar resultaat kan worden behaald. Dit standpunt wordt door jurisprudentie bevestigd. De publiekrechtelijke weg biedt twee mogelijkheden: de gemeente kan optreden in het kader van haar verantwoordelijkheid als wegbeheerder of in het kader van handhaving van de APV. Wegbeheerder De Wegenwet en de Wegenverkeerswet geven de gemeente wettelijke zorg om de veiligheid van zowel de weg als van het verkeer te waarborgen. De gemeente kan in het kader van haar verantwoordelijkheid als wegbeheerder en in verband met het risico van aansprakelijkheid als wegbeheerder, de inboedel van de straat halen en opslaan. De gemeente treedt dan op als zaakwaarnemer. Zaakwaarneming heeft van oudsher betrekking op spontaan dienstbetoon, waarbij geldt dat er zaakwaarnemingbedoelingen aanwezig moeten zijn.(9) Juist bij de overheid lijkt een positie als zaakwaarneemster niet direct voor de hand te liggen. Bovendien doen zich hierbij de reeds hierboven geschetste risico’s voor. Handhaving APV Het plaatsen van goederen op de weg is in strijd met artikel 2.1.5.1 APV. Burgemeester en Wethouders (hierna: het college) hebben de verantwoordelijkheid voor de handhaving van deze bepaling. De Awb geeft het college de bevoegdheid om op kosten van de overtreder aan de overtreding van artikel 2.1.5.1 APV een einde te maken in de vorm van het uitoefenen van bestuursdwang en het opleggen van een last onder dwangsom. Dit laatste houdt in de verplichting tot betaling van een geldsom totdat de last is uitgevoerd. Bij een dwangsom bestaat het risico dat de dwangsom wordt voldaan, terwijl de onrechtmatige situatie blijft voortbestaan. Zeker in het geval van inboedels op de openbare weg, is het zaak dat deze op korte termijn worden verwijderd en niet dagen blijven staan. De dwangsom is dan ook een minder geschikt instrument voor deze problematiek. Bestuursdwang biedt een beter aanknopingspunt voor handhaving in geval van inboedels op de openbare weg. Bestuursdwang betekent het feitelijk beëindigen van een overtreding door de gemeente zelf. Voordeel hiervan is het feit dat de gewenste situatie direct wordt bereikt. De kosten van de bestuursdwang worden hierbij verhaald. Dit heeft enkele belangrijke voordelen: de verantwoordelijkheid blijft op de plaats waar deze hoort; er mag worden verwacht dat verhuurders meer moeite zullen doen om te voorkomen dat inboedels bij ontruimingen op de openbare weg worden achtergelaten. Hierdoor krijgen gemeentemedewerkers meer uren beschikbaar voor andere taken; de gemeente kan kostendekkend gaan werken bij de bestrijding van overlast en gevaar veroorzaakt door inboedels die op de openbare weg zijn geplaatst. Het voorstel luidt dan ook om door te gaan met het toepassen van bestuursdwang bij (dreigende) schending van de APV door op de openbare weg te plaatsen/geplaatste inboedels. Concreet wijzigt de gemeente haar beleid door: de bestuursdwangaanschrijving niet alleen aan de huurder maar ook aan de opdrachtgever tot ontruiming te richten; de verantwoordelijkheid voor de verwijdering en opslag van inboedels van de openbare weg bij de opdrachtgever tot ontruiming (verhuurder) te laten en; dit beleid kracht bij te zetten door bestuursdwang toe te passen indien sprake is van een (dreigende) schending van artikel 2.1.5.1 APV. ------------------------------------------------------------------------------------- (8) Zie o.a. HR 22 oktober 1993 AB 1994, 1 (de Staat/Magnus) en HR 7 oktober 1994, JG 95.0005 (van Schaik/Nieuwveen). (9) Criterium ‘willens en wetens’, artikel 6:198 BW

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel