De garantietoelage bedoeld in artikel 3:3:1:11 bedraagt:
voor de ambtenaar die 15 jaar of langer aaneengesloten beschikbaarheidsdiensten heeft verricht: voor elk vol jaar verrichte zodanige dienst 4% van de over de periode van zes maanden direct voorafgaande aan de beëindiging van bedoelde dienst gemiddeld per maand genoten vergoeding in geld, zulks tot een maximum van 100%. Onverminderd het bepaalde in lid 2 eindigt de garantietoelage op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar bereikt of zoveel eerder als het dienstverband met de gemeente eerder wordt verbroken;
voor de ambtenaar die minder dan 15 jaar aaneengesloten beschikbaarheidsdiensten heeft verricht: gedurende een periode gelijk aan het aantal volle maanden gedurende welke hij laatstelijk onafgebroken bij bedoelde dienst ingedeeld is geweest, de helft van de over de periode van zes maanden direct voorafgaand aan de beëindiging van die dienst gemiddeld per maand genoten vergoeding. Indien hij tijdens de garantieperiode de 60-jarige leeftijd bereikt behoudt hij de garantietoelage.
De laatste volzin van sub a is van overeenkomstige toepassing.
De garantietoelage eindigt evenzeer op het tijdstip waarop zich een omstandigheid voordoet waarbij de ambtenaar, zou hij nog beschikbaarheidsdienst krachtens rooster hebben verricht, door eigen schuld of toedoen daarvoor niet meer zou worden ingeschakeld.
De garantietoelage wordt bij algemene salarismaatregelen dienovereenkomstig aangepast.