**1..** De bepalingen van Boek 7a, zevende titel A, van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het gestelde in het tweede lid.
**2..** In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geldt dat ter zake van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd, door werkgever danwel door werknemer de volgende opzegtermijn in acht wordt genomen. De werkgever neemt een opzegtermijn in acht van tenminste 2 maanden, indien de werknemer tenminste gedurende 2 jaar onafgebroken werkzaam is geweest in de betrekking die eindigt. In alle andere gevallen neemt de werkgever een opzegtermijn van een maand in acht bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd. De opzegtermijn die de werknemer in acht dient te nemen, be¬draagt de helft van de periode die door de werkgever als opzeg¬termijn gehanteerd dient te worden.
**3..** In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn de artikelen A5, A9, C1, C3, C5 tot en met C14, H8, H12a, H15, H16, en de hoofdstukken D, E, met uitzondering van de artikelen E24 en E25, F en G van het Algemeen Ambtenarenreglement, voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de arbeids¬overeenkomst die is aangegaan op grond van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel d.