**1..** Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een voorziening genoemd in artikel 6.1 in aanmerking worden gebracht, wanneer hij niet in staat is het openbaar vervoer te bereiken of te gebruiken.
**2..** De verlening van de voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel a, zonodig in combinatie met andere in artikel 6.1 genoemde voorzieningen, heeft het primaat en voorrang indien deze voorziening of deze combinatie de goedkoopste adequate oplossing is.
**3..** Een ondersteuningsbehoevende kan eerst dan voor een voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel d in aanmerking worden gebracht indien hij maximaal honderd meter kan lopen en hij niet in staat is gebruik te maken van een al dan niet speciaal uitgevoerde fiets.
**4..** Bij de verlening van de voorzieningen genoemd in artikel 6.1 onderdelen b tot en met j kan rekening worden gehouden met:
- - de individuele vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende;
- - de mate waarin de voorziening genoemd in artikel 6.1 onderdeel a in de individuele vervoersbehoefte kan voorzien; en
- - de mate waarin de vervoersbehoeften van echtgenoten / samenwonenden samenvallen.
**5..** Indien het inkomen als bedoeld in artikel 1.1 onder m hoger is dan 1,5 maal het norminkomen, wordt geen vervoersvoorziening verleend als bedoeld in artikel 6.1.
**6..** Voor kinderen van 0 tot 12 jaar en van 12 tot 18 jaar wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming of het pgb bepaald op respectievelijk 25% en 50% van de hoogte van de financiële tegemoetkoming als genoemd in het financieel besluit.