Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Criteria

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB en WIJ 2010

1.. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid WWB en artikel 30, eerste lid, WIJ bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; 2.. De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid WWB en artikel 30, eerste lid WIJ van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft; 3.. In afwijking van lid 2 bedraagt de toeslag van de alleenstaande/ alleenstaande ouder 20 procent van de gehuwden norm indien de alleenstaande of alleenstaande ouder een kamer huurt zonder dat de hoofdbewoner of de huiseigenaar mede in deze woning verblijft. 4.. In afwijking van het eerste lid wordt geen toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB verleend, indien de ander een niet-rechthebbende partner is en een inkomensvoorziening op grond van de WIJ ontvangt; 5.. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft: a. niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste 51% van de gehuwdennorm; b. meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF); c. meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos); d. kinderen van 18 tot 21 jaar met een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ); e. de verzorgingsbehoevende die bij de belanghebbende of jongere inwoont en door hem wordt verzorgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel