1. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 1 (één) maand wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging;
2. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 2 (twee) maanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging, vertoond binnen twaalf maanden na de datum van het eerdere besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening op grond van een verwijtbare gedraging.
3. De maatregel wordt opgelegd voor de duur van 3 (drie) maanden, wanneer sprake is van een derde of volgende verwijtbare gedraging, vertoond binnen twaalf maanden na de datum van het laatst opgelegde besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening op grond van een verwijtbare gedraging.
4. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2, vierde lid.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelverordening Investeren in Jongeren (WIJ)