Alternatief 1
1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte van een
omgevingsvergunning voor het bouwenplichtig bouwwerk in het vlak
door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
voorgevelrooilijn.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.21
Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening gemeente Medemblik