Bij de vaststelling van het pgb bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende kosten:
| a. | de aanneemsom voor het treffen van de voorziening; |
| b. | de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten; |
| c. | het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1988 van de BNA; |
| d. | de kosten van het toezicht op de uitvoering, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; |
| e. | de leges; |
| f. | de verschuldigde en niet verrekenbare of terug te vorderen omzetbelasting; |
| g. | renteverlies in verband met betaling aan derden voordat het pgb is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; |
| h. | de prijs van bouwrijpe grond, als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, tot een door het college vast te stellen maximum; |
| i. | de kosten in verband met technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; |
| j. | de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; |
| k. | de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzienbaar waren; |
| l. | administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor een persoon met een beperking; |
| m. | verwijderen van voorzieningen. |