1.Een aanvrager kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdelen b en c, indien:
a.Aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid onderdeel a onmogelijk maken;
b.Een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a niet aanwezig is.
2.Een begeleidingsindicatie wordt verstrekt op basis van in het Verstrekkingenboek vastgelegde criteria.