De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten met een ander.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste
komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de wet
genoemde maximumbedrag.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor een
alleenstaande en de alleenstaande ouder die een gezamenlijke
huishouding voert met een of meer niet ten laste
komende
kinderen
met een inkomen dat niet hoger is dan het normbedrag voor de
kosten van
levensonderhoud
voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
Studiefinanciering 2000, of jonger dan 21
jaar, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft,
bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde
maximumbedrag.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het
tweede en derde lid niet van toepassing
is 10% van de gehuwdennorm.