De bijstandnorm wordt lager vastgesteld indien gehuwden van 21
jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd
lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of
gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander niet
zijnde niet ten laste komende kinderen met een
inkomen dat niet
hoger
is dan het normbedrag voor de kosten van
levensonderhoud
voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet
Studiefinanciering 2000, of jonger dan 21
jaar.
De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van de
gehuwdennorm.