Indien er sprake is van een subsidieverlening ingevolge art. 13, vierde lid, dient de subsidieontvanger voor 1 april na afloop van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, dan wel drie maanden na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
Art. 20 is dan van overeenkomstige toepassing.
Burgemeester en wethouders stellen binnen 24 weken de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
De subsidie kan naast de gevallen, vermeld in art. 4:46, tweede en derde lid Awb, lager worden vastgesteld, indien:
is gebleken, dat de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel verstrekt;
de subsidieontvanger feitelijk niet of niet voldoende overeenkomstig zijn doelstellingen werkzaam is en hierin ondanks ontvangen schriftelijke waarschuwing geen verandering brengt;
de subsidieontvanger een financieel wanbeleid voert;
Burgemeester en wethouders kunnen, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen als zich een geval voordoet als genoemd in art. 4:48, lid 1 en art. 4:50, lid 1 Awb, ,een geval als genoemd in het vierde lid of indien er sprake is van opheffing, faillissement of surseance van betaling van de zijde van de subsidieontvanger. In het geval van toepassing van art. 4:50 Awb moet een redelijke termijn in acht worden genomen.
Burgemeester en wethouders kunnen een vastgestelde subsidie intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen in de gevallen, genoemd in art. 4:49, eerste lid Awb. Deze bepaling is ook van toepassing op de directe subsidievaststelling.