1. Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel tot zijn last behoort te blijven, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade in relatie staat tot:
a. de weigering van burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen;
b. de voorschriften door burgemeester en wethouders verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10;
c. de door burgemeester en wethouders nader te stellen regels als bedoeld in artikel 10, derde lid;
d. de door burgemeester en wethouders nader te stellen regels als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onder d;
e. een aanwijzing als bedoeld in artikel 22, tweede lid, tweede volzin. 2. Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van Afdeling 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) overeenkomstig van toepassing.