Indien een woning wordt bewoond waaraan voor de belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn bedraagt de verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet:
1. Achttien procent van de gehuwdennorm indien:
a. de toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet, twintig of veertien procent van de gehuwdennorm bedraagt;
b. de verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet, niet van toepassing is of zes procent van de gehuwdennorm bedraagt.
2. Negen procent van de gehuwdennorm indien:
a. de toeslag bedoeld in artikel 3, vijf procent bedraagt;
b. de verlaging bedoeld in artikel 5, vijftien procent bedraagt;
c. een afwijkende toeslag bedoeld in artikel 4 van toepassing is;
d. de verlaging bedoeld in artikel 7 van toepassing is.
Hoofdstuk 3
Artikel 6
Artikel 6
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen wet investeren in jongeren 2010