**1.** De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm indien uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder verblijven die een in aanmerking te nemen inkomen hebben dat lager is dan het normbedrag genoemd in artikel 21 onder a van de wet.
**2.** De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 14 procent van de gehuwdennorm indien:
a. uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of de alleenstaande ouder verblijven waarvan tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onder a van de wet genoemde normbedrag;
b. de alleenstaande of de alleenstaande ouder onderhuurt, een kamer huurt of kostganger is;
c. de alleenstaande of de alleenstaande ouder onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
d. eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de alleenstaande of alleenstaande ouder verblijven en belanghebbende onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft;
**3.** De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder:
a. onderverhuurt, een kamer verhuurt of kostgever is aan twee of meer anderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben;
b. inwoont bij een bloedverwant in de eerste graad.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand 2010