Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand 2010

1. Er vindt geen verlaging plaats indien uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven die een in aanmerking te nemen inkomen hebben dat lager is dan het normbedrag genoemd in artikel 21 onder a van de wet. 2. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 6 procent van de gehuwdennorm indien: a. uitsluitend eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven waarvan tenminste één kind een inkomen heeft gelijk aan of hoger dan het in artikel 21 onder a van de wet genoemde normbedrag; b. de gehuwden onderhuren, een kamer huren of kostgangers zijn; c. de gehuwden onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft; d. eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen in de woning van de gehuwden verblijven en belanghebbenden onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan één ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. 3. De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 15 procent van de gehuwdennorm indien de gehuwden: a. onderverhuren, een kamer verhuren of kostgevers zijn aan twee of meer anderen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben; b. inwonen bij een bloedverwant in de eerste graad.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel