1.De burgemeester kan een horecabedrijf –al dan niet voor een
bepaalde duur- gesloten
verklaren:
indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige
vergunning;
indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met
de aan de vergunning verbonden
voorschriften, dan wel in strijd met de voorschriften genoemd in
artikel 2.3.2b en 2.3.8;
c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.3.6,
vierde lid, genoemde situaties
waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.
2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt
zodra een besluit tot sluiting
op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is
aangebracht.
3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
belanghebbende(n) door de
burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten
en omstandigheden
hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties
aanwezig zijn, dat geen
herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal
plaatsvinden.
4.Het is de exploitant en/of de houder(s) van het horecabedrijf
verboden na het van kracht
worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot
het horecabedrijf toe te laten of
daarin te laten verblijven.
5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester
gesloten horecabedrijf als
bezoeker te verblijven.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 3
Artikel 2.3.7
Sluiting van horecabedrijven
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010