1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
laten verblijven of te laten
lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:
a.anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de
houder heeft
bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een
aanlijngebod in verband met
het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
college aan de eigenaar of
de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
hinderlijk acht en een aanlijn en
muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
vindt.
2.In afwijking van artikel 2.4.9, aanhef en onder c, geldt voor het
bepaalde in het eerste lid
bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar,
niet- verwijderbaar
identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.
3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. kort aanlijnen:
aanlijnen van een hond met een lijn
met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is
dan 1,50 meter; b. muilkorf: een
muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling
agressieve dieren.
4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
zover de Regeling agressieve
dieren van toepassing is.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 4
Artikel 2.4.12
Gevaarlijke honden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010