Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 38:0:0:7

Niet-ontvankelijkheid van een klacht

Onderdeel van CAR/UWO

De indiening van een klacht die voldoet aan de in artikel 38:0:0:3. van deze verordening gestelde eisen, schept voor het bestuursorgaan een verplichting tot het in behandeling nemen (onderzoeken) daarvan, behoudens in de gevallen die in het eerste lid van artikel 38:0:0:7. limitatief zijn opgesomd. Het bestuursorgaan neemt in deze gevallen een klacht niet in behandeling. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien de aangelegenheid behoort tot het algemeen gemeentebeleid (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder a) of betrekking heeft op algemeen verbindende voorschriften (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder b). De in het eerste lid onder a en b genoemde - van klachtbehandeling uitgezonderde - aangelegenheden betreffende algemeen gemeentebeleid en algemeen verbindende voorschriften zijn typisch aangelegenheden waaromtrent een politiek/bestuurlijke afweging is gemaakt door de gemeenteraad. Eventuele bezwaren dienen in dat kader aan de orde te komen. De uitzondering betreft echter alleen het beleid en de voorschriften op zichzelf. De uitvoering daarvan kan in beginsel uiteraard wel aanleiding geven tot indiening van een klacht, mits deze niet valt onder een andere uitgezonderde categorie in deze bepaling. Zo zal de uitvoering van beleid en algemeen verbindende voorschriften, in de vorm van een beschikking, veelal onderwerp kunnen zijn van een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening. Dat kan zowel een bijzondere administratiefrechtelijke rechtsbeschermingmogelijkheid zijn als de algemene aanvullende mogelijkheid ingevolge de Algemene wet bestuursrecht. Klachtenbehandeling is dan niet mogelijk als de administratiefrechtelijke voorziening de gedraging (meestal een besluit) betreft. Het is evenwel denkbaar dat de gewraakte gedraging niet zozeer het in een administratieve procedure aangevallen besluit zelf betreft, maar daar wel mee samenhangt. Een bepaalde proceshouding kan bijvoorbeeld aanleiding zijn tot een wel ontvankelijke klacht. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien en zolang ten aanzien van de gedraging voor de klager een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening openstaat of heeft opengestaan en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder c). Het begrip “wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening” kan betrekking hebben op een bijzondere administratiefrechtelijke rechtsbeschermingmogelijkheid als op de algemene aanvullende mogelijkheid ingevolge de Algemene wet bestuursrecht. Behandeling van een klacht is niet mogelijk, indien de administratiefrechtelijke voorziening betrekking heeft op de - in de klacht omschreven - gedraging. De gedraging is dan meestal een besluit. De klacht wordt niet behandeld, in het geval de klager geen gebruik heeft gemaakt van de ten aanzien van de gedraging openstaande administratiefrechtelijke voorziening. Bij de toepassing van sub c zal nauwkeurig de gemaakte gedraging moeten worden getraceerd, teneinde te kunnen bepalen of deze op zichzelf onderwerp kan zijn van een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening. Deze bepaling sluit aan bij artikel 14, aanhef, onder f, van de Wet Nationale Ombudsman. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien en zolang ten aanzien van de gedraging een procedure bij een rechterlijke instantie aanhangig is of beroep openstaat tegen een uitspraak die in die procedure is gedaan dan wel door een rechterlijke instantie uitspraak is gedaan (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder d). Bij uitzondering sub d gaat het om een bij een rechterlijke instantie aanhangige procedure of de mogelijkheid van beroep tegen de in die procedure gedane rechterlijke uitspraak danwel een rechterlijke uitspraak omtrent de gedraging, anders dan op grond van een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening. Bijvoorbeeld een vordering wegens onrechtmatige daad ex artikel 162, Boek 6 Burgerlijk Wetboek bij de civiele rechter of een strafproces bij de strafrechter. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien op het moment van de indiening een jaar is verstreken na de gedraging (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder e). De reden voor het stellen van deze termijn is onder meer gelegen in het feit dat een onderzoek naar feiten die lange tijd geleden hebben plaatsgevonden, lastiger is uit te voeren dan naar meer recente gebeurtenissen. Van de klager mag daarom ook worden verwacht dat hij niet te lang wacht met het indienen van zijn klacht. Deze bepaling is in lijn met artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman. Aan de één jaartermijn houdt de Nationale ombudsman als regel strikt de hand. Als een gedraging pas later merkbaar effect heeft, kan afwijking van de één jaartermijn echter in de rede liggen. Van de burger wordt dan wel zo spoedig mogelijk actie verwacht. Een klacht die niet voldoet aan de in artikel 38:0:0:3 van deze verordening gestelde eisen wordt niet in behandeling genomen, indien de klager niet binnen twee weken nadat hij daarop is gewezen, alsnog de voor behandeling vereiste gegevens heeft verstrekt. De klager wordt eerst in de gelegenheid gesteld eventuele tekortkomingen te herstellen, voordat wordt besloten tot het niet behandelen van de schriftelijke klacht (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder f). Deze bepaling sluit aan bij artikel 14, aanhef, onder a, van de Wet Nationale Ombudsman. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien de klacht kennelijk ongegrond is (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder g) of het belang van de klager of het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder h). De term ‘kennelijk” in de uitzonderingen duidt er op dat er sprake moet zijn van een evidente situatie. Het moet volstrekt duidelijk zijn dat de klacht of dat het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging ongegrond respectievelijk onvoldoende is. Deze bepaling sluit aan bij artikel 14, aanhef, onder b, van de Wet Nationale Ombudsman. Een klacht wordt niet in behandeling genomen, indien de klager een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder i). Als uitgangspunt geldt artikel 38:0:0:2 van deze verordening, waarin de kring van klachtgerechtigden ruim is getrokken. Desondanks is een klacht niet-ontvankelijk, indien de klager een ander is dan degene jegens wie de gedraging heeft plaatsgevonden. Een en ander is afhankelijk van de concrete situatie en de mate waarin er - volgens de klachtbehandelaar - sprake is van een enig concretiseerbaar belang van de klager. Het ligt in het algemeen niet in de rede in een geval waarin wordt geklaagd over een gedraging die reeds eerder overeenkomstig deze verordening is onderzocht, nogmaals tot een onderzoek over te gaan. Daarom is bepaald dat in een dergelijk geval behandeling achterwege kan blijven. In deze uitzondering is het ne bis in idem-beginsel vastgelegd (artikel 38:0:0:7, eerste lid, aanhef onder j).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel