Als uitgangspunt geldt dat het horen in beslotenheid plaats vindt. Hiervoor is gekozen om de privacy van de klager en de persoon op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, te beschermen. Bovendien is er op het moment dat artikel 38:0:0:8 van deze verordening door de klachtbehandelaar wordt toegepast, sprake van een lopend onderzoek naar de gedraging van een persoon en heeft de klachtbehandelaar nog geen definitief oordeel gevormd over de (on)behoorlijkheid van de betreffende gedraging. Daarnaast bestaat het gevaar dat horen in het openbaar drempelverhogend werken voor degene die een klacht wil indienen. Van het hiervoor genoemde uitgangspunt kan in vier gevallen worden afgeweken. Op grond van artikel F 15 van het Algemeen Ambtenarenreglement heeft een ambtenaar tegen wie een klacht zich richt het recht zich in het openbaar te verweren tegen uitlatingen in het openbaar gedaan over hem in zijn hoedanigheid van ambtenaar, daaronder begrepen uitlatingen over door hem uitgebrachte adviezen. Dit recht is vastgelegd in artikel 38:0:0:9, sub a van deze verordening. Op grond van artikel 38:0:0:9, sub b en c van deze verordening kunnen de klager en/of zijn gemachtigde en het bestuursorgaan tegen wie de klacht zich richt de klachtbehandelaar verzoeken om in het openbaar te worden gehoord. De klachtbehandelaar dient op zo’n verzoek een beslissing te nemen. In artikel 38:0:0:9, sub d van deze verordening is ten slotte de mogelijkheid voor de klachtbehandelaar neergelegd om in het openbaar te horen, indien er gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen beslotenheid van de hoorzitting verzetten.