Het rooster, als bedoeld in artikel 3:3a:0:3, lid 2, omvat weekdiensten die beginnen op enige dag in een week en die eindigen op dezelfde dag in de volgende week, op een door het afdelingshoofd vast te stellen tijdstip.
Het in het vorig lid bedoelde tijdstip waarop een weekdienst begint kan worden vastgesteld op het einde van de voor de ambtenaar voor die dag vastgestelde werktijd dan wel het einde van de voor die dag voor het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is vastgestelde bedrijfstijd. Het in het vorig lid bedoelde tijdstip waarop een weekdienst eindigt kan worden vastgesteld op het begin van de voor die dag voor de ambtenaar gelden werktijd dan wel het begin van de voor die dag voor het onderdeel van de afdeling/bedrijf waar de ambtenaar werkzaam is geldende bedrijfstijd. Ook kunnen begin en einde van een weekdienst om praktische redenen worden vastgesteld op andere dan de hiervoor bedoelde tijdstippen.
Het rooster wordt zodanig ingericht, dat in een periode van vier weken de ambtenaar gedurende ten minste tweemaal een periode van 7 x 24 uur aaneengesloten geen dienst behoeft te doen.
Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen waarin daartoe door het afdelingshoofd de noodzaak wordt aangetoond van het gestelde in het vorig lid afwijken.